
zou het liefst alle melk in één keer in zijn
mond laten
glijden. Maar in diezelfde mond zit al heel veel pan-
nenkoek met stroop en suiker. En dat allemaal
samen, dat lukt niet zo.
„Verdorie," moppert Bob en komt met een
doekje
om het ergste weg te vegen.
Leuk, dat poetsen, vindt Jeroentje. Met een
klein
grinnikje kijkt hij toe. En helpen kan hij eigenlijk ook
heel goed. Hij leunt dwars over zijn kleverige bord,
pakt het doekje vast en begint ijverig mee te boenen.
„Hè, Jeroentje!" zegt Bob met een streng
gezicht.
Hij pakt Jeroentje op en zet hem op zijn stoel.
Even blijft Jeroentje daar doodstil zitten.
Dan laat
hij zich van zijn stoel glijden en loopt naar Erik. Met
zijn stroophandjes plukt hij verdrietig aan Eriks
broek.
„Wat is er?" vraagt Erik.
Maar Jeroentje zegt niets en blijft dicht
tegen Eriks
been staan.
„Wat is er dan?"
„Wijje gootzitte?" mompelt Jeroentje terwijl
hij Erik
nauwelijks durft aan te kijken.
„Wat bedoel je nou?" vraagt Erik en buigt
voorover
om Jeroentje beter te verstaan.
„Wijje gootzitte?" vraagt hij, nu iets duidelijker.
„Hij wil op je schoot zitten," zegt Bob die
ondertus-
sen het vaatdoekje uitwringt.